Dag 3-excursie Zuid-Gambia

Het is donderdag, dus tijd voor onze eerste excursie, maar niet voordat ik ‘donno’ heb geprobeerd bij het ontbijt: een soort kleine oliebollen zonder rozijnen. Erg lekker, maar ik eet ook braaf mijn havermout met mango (we hebben van de vrouw van Ebou bij het vertrek een zak vol mango’s gekregen dus we hebben elke ochtend bij het ontbijt een hele mango voor onszelf).
Onder leiding van gids Mo gaan we in een oude legertruck met een groepje naar Zuid Gambia. De eerste stop is een klein marktje waar vooral eten verkocht wordt. Velen verklaren zich vegetariër als ze zien hoe het vlees daar in de zon ligt met de vliegen erop. Ik at toch al geen vlees en heb vooral oog voor de kruiden die er te koop zijn. Voordat we de truck weer in gaan koop ik nog snel een zak hibiscus om lekker frisse thee van te kunnen zetten.
De volgende stop is een schooltje dat door een gemeenschap is opgezet en gesteund wordt door de reisorganisatie en donaties van bezoekers. ‘Bovenmeester’ Lamin vertelt hoe zijn eigen schoolcarrière is verlopen en hoe de school steeds meer werd uitgebreid. Op dit moment wordt er ook gebouwd aan nieuwe klaslokalen want een deel van de leerlingen krijgt nog steeds les onder een boom. Terwijl Arjo onze donatie in een bus doet en netjes in het kasboek noteert geef ik een linnen tas (plastic tassen zijn verboden in Gambia) met schriftjes en een flinke voorraad pennen (deels gekregen van vrienden) in etuis aan mijnheer Lamin. Daarna mogen we een kijkje nemen in een paar klassen (behalve het lokaal waar de oudste leerlingen examens doen). De meisjes in de klas die buiten les hadden vonden vooral mijn trouwring erg interessant.

Na het schooltje gingen we naar pappa John, een 90-jarige christen die palmwijn en zumzum maakt. Zumzum wordt ook wel kill me quick genoemd en smaakt een beetje naar gin. Pappa John hebben we echter niet gezien, en de palmwijn was er ook niet (het blijft Afrika), maar dat werd ruimschoots goed gemaakt door het dochtertje van de dame die de zumzum serveerde: deze mini-charmeuse danste en zong alsof ze op het podium van idols stond.


Na de drank was het tijd voor het Tanje village Museum, een soort openluchtmuseum waar je kan zien hoe een Mandinka-dorpje er ongeveer 100 jaar geleden uitzag. Voor Arjo en mij was dat extra interessant omdat we allebei het boek Roots hebben gelezen en dat speelt zich voor een groot deel af in een soortgelijk dorpje in ongeveer dezelfde tijd. De bevolking van Gambia bestaat uit 4 verschillende stammen: Mandinka, Fula, Wolof en Jolla. Een dorpje van een andere stam had er íets anders uitgezien (het verschil zat ‘m vooral in de daken van de hutjes, vertelde Gids Mo), maar niet heel erg anders. In het deel van Gambia waar ons hotel staat vind je vooral Mandinka, maar de stammen mengen steeds meer met elkaar. Zo is, als ik het goed onthouden heb, Ebou zelf Jolla, zijn huidige vrouw is Mandinka en zijn vorige vrouw was Fula. De nieuwgekozen president gelooft ook erg in één Gambia en is zelf ook van gemengde afkomst.
Terwijl de toubab (witte mensen) even wat water dronken in het café-gedeelte van het museum, nam onze gids Mo even de tijd om zijn krantje te lezen: FOROYAA, the opposition newspaper. Toen de dictator nog aan de macht was, was het zeer onverstandig om deze krant in het openbaar te lezen want je zou zomaar aangegeven kunnen worden. Nu is dat allemaal anders: de hoofdredacteur van de krant maakt deel uit van de huidige regering. We praten nog iets verder met Mo over de veranderingen die er gaande zijn in het land: achterstallig onderhoud wordt aangepakt, mensen zijn niet meer bang om ’s nachts uit hun bed gehaald te worden om vervolgens te ‘verdwijnen’, hoopvolle berichten.

In het Tanji village museum

Na het bezoek aan het museum rijden we nog een klein stukje op weg naar Paradise Beach waar we zullen lunchen. We voelen ons gedurende de reis net Wim-Lex en Máxima: overal waar we langs rijden rennen kinderen met de truck mee, roepen toubab! (wit mens) en zwaaien. Heel veel zwaaien. We zwaaien vrolijk terug. De iets oudere jongens, die too cool zijn om te zwaaien, steken vaak hun duim op. Iets oudere meisjes glimlachen en zeggen ‘hello‘.
Ergens iets gaan eten en niet van tevoren weten wat je voorgeschoteld krijgt (en dus niet weten of daar iets bij zit wat ik kan en wil eten), is voor mij altijd lastig, dus had ik gezonde reepjes, een zak noten en wat bananen in mijn tas gestopt voor het geval dát. Maar die had ik helemaal niet nodig: aan het strand werd een buffet neergezet met brood (wat ik niet eet), salade, Wolof rice (gebakken rijst met tomaat en groente), een sausje van groente, kip, en vis. Als ze me alleen de wolof rijst en het sausje hadden gegeven wa ik al volkomen gelukkig geweest want dat was écht heel erg lekker. Ik nam ook een stukje vis en wat salade, maar de rijst heb ik zelfs nóg een keer opgeschept. Na het eten hadden we wat tijd om op het strand te zitten. Daar stond ook een koe. Die wilde wel op de foto.
Vlak bij het strand was een super schoon toiletgebouw, er stonden pakken toiletpapier en het rook er naar schoonmaakmiddel. Er stond zelfs een pompje met vloeibare zeep bij het kraantje. Maar als je dan het hokje open deed moest je constateren dat ze pot zó geïnstalleerd is, dat je er niet recht op kan zitten omdat je benen niet tussen de pot en de muur passen. Het blíjft Arfika…en gelukkig maar want ik vind dat dus heel geestig.

Onze laatste stop van de dag is Tanji, het vissersdorpje. Eerst komen we lang de plek waar vissen gerookt worden (sommigen besluiten hier om nooit meer vis te eten), daarna lopen we het strand op waar de vangst van de dag binnenkomt. Kinderen lopen met teilen op hun hoofd het water in om de vangst van de boten naar het strand te brengen, daar worden de vissen verkocht. Aan het einde van de dag worden ze in vis betaald.
Veel van de vissers komen uit Senegal (en spreken dus Frans in plaats van Engels), het land dat aan drie kanten om Gambia heen ligt. Een jonge vrouw in onze groep, die samen met haar moeder op reis was, had op het strand al snel een aanbidder. Vermoedelijk een Senegalees want ze verstond hem eerst niet. Uiteindelijk vond hij de juiste woorden: ‘I…love…her’. Dat begreep ze wel, maar toch werd het niets, ook al bood hij haar moeder nog zo veel vis aan en probeerde Mo een beetje voor hem te onderhandelen.
Ons groepje werd op een afstandje gevolgd door twee jongetjes die alles goed in zich opnamen. Wie weet wilden ze later ook wel gids worden en zo’n groepje toubab alles vertellen. Toen we weer in de truck waren geklommen stonden ze vlak naast de auto. Ze vroegen niets, keken alleen maar met een vriendelijke blik naar wat we deden.
Sommigen hadden nog lege flesjes en staken die de jongens toe (die worden hergebruikt), waar ze heel beleefd ‘thank you’ op zeiden. Ik bedacht me dat ik nog twee pennen in mijn tas had, precies genoeg, dus ik gaf er ieder één. ‘Pen! Pen! Thánk you!’, riepen ze opgetogen. Er zijn dus mensen op de wereld die net zo gek zijn op pennen als ik. Ik hoop dat ze er mooie dingen mee gaan schrijven.